- Zaterdag, 22 September 2018 -

Lezing uit de 1e brief van de apostel Paulus aan de Corinthiërs 15,35-37.42-49.

Broeders en zusters, iemand zal vragen, hoe verrij­zen de doden? Met wat voor lichaam?
Een dwaze vraag! Ook wat gij zelf zaait moet eerst sterven voor het tot leven komt,
en wat gij zaait is slechts een graankorrel of iets derge­lijks, en heeft nog niet de vorm die het zal krijgen.
Zo is het ook met de opstanding van de doden; wat gezaaid wordt in vergankelijkheid, verrijst in onverganke­lijkheid;
wat gezaaid wordt in geringheid en zwakte, verrijst in heerlijk­heid en kracht.
Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst. Zoals er een natuurlijk lichaam bestaat, bestaat er ook een geestelijk lichaam.
In deze zin staat er geschreven: De eerste mens, Adam, werd een levens wezen. De laatste Adam werd een levendma­kende Geest.
Maar het geestelijke komt niet het eerst; het natuurlijke gaat vooraf, daarna komt het geestelijke.
De eerste mens, uit de aarde genomen, is aards; de tweede is uit de hemel.
Zoals die eerste mens van aarde zijn alle aardse mensen, zoals de hemelse mens zullen alle hemelsen zijn.
En gelijk wij het beeld van de aardse hebben gedragen, zo zullen wij ook het beeld dragen van de hemelse mens.
Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen

Psalm 56(55),10.11-12.13-14.

Mijn vijand wijkt als ik U aanroep,
ja, ik weet het, God verlaat mij niet.
Op de Heer en zijn belofte,
op de Heer vertrouw ik, zonder vrees.
Wat kunnen de mensen mij doen?
Wat ik belooft heb, God zal ik volbrengen
U breng ik het offer van mijn lof.
Want door U ben ik de dood ontkomen,
Gij behoed mijn voeten voor de val,
Daardoor kan ik voortgaan voor Gods aanschijn
in het licht dat alle levenden verlicht.
Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen

Heilig Evangelie van Jezus Christus volgens Lucas 8,4-15.

In die tijd verzamelde zich een grote menigte en uit de steden de mensen naar Jezus toestroom­den, sprak Hij in een gelijkenis:
'De zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. En bij het zaaien viel een gedeelte op de weg en het werd vertrapt en de vogels uit de lucht aten het op.
Een ander gedeelte viel op de rotsgrond; het schoot wel op maar droogde uit, omdat het geen vocht had.
Weer een ander gedeelte viel tussen de distels, maar tegelijkertijd schoten de distels op en verstikten het.
Nog een ander gedeelte viel op goede grond; het schoot op en bracht honderdvou­dige vrucht voort.' En met luider stem voegde Hij er aan toe: 'Wie oren heeft om te horen, hij luistere.'
Zijn leerlingen vroegen Hem, wat die gelijkenis wel betekende.
Hij antwoordde: 'Aan u is het gegeven de geheimen van het Rijk Gods te kennen, maar de overigen ontvangen ze in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet begrijpen.
Welnu, de betekenis van de gelijkenis is deze: Het zaad is het woord van God.
Die op de weg, zijn zij die geluisterd hebben. Maar dan komt de duivel en rooft het woord uit hun hart weg, opdat ze niet door te geloven gered worden.
Die op de rots, zijn zij die het woord met blijdschap ontvangen wanneer zij het horen, maar zij hebben geen wortel, zij geloven voor een ogenblik, maar ten tijde van de beproeving vallen zij af.
Wat onder de distels viel, zijn zij die wel geluisterd hebben, maar gaandeweg door de zorgen, de rijkdom en de genoegens van het leven verstrikt raken en niet tot rijpheid komen.
Het zaad in de goede aarde zijn zij, die het woord dat Zij hoorden in een goed en edel hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun standvastig­heid.
Bron : Petrus Canisius bijbelvertaling & vernieuwingen
Terug